De Boermarke Anloo

De boermarke Anloo is één van de ruim 80 boermarkes in de provincie Drenthe. De term “boermarke” of kortweg ”marke” heeft in de loop der eeuwen een flinke verschuiving in betekenis doorgemaakt. Met het woord marke werden oorspronkelijk alleen de gemeen-schappelijke, niet in cultuur gebrachte gronden, aangeduid. ( het woord marke is afgeleid van het Latijnse woord “marca” dat merk betekent en ook iets dat gemerkt is: de vroegere Duitse munteenheid heette Mark, de Finse munt Markka ). Tegenwoordig wordt met het woord boermarke meestal (het bestuur van) de groep van eigenaren van de nog onverdeelde grond aangeduid. In het Nederlandse recht, dat immers uit de Franse tijd stamt, heeft de boermarke een aparte juridische status gekregen. Voordat hierop verder wordt ingegaan is het goed eerst iets te zeggen over het grotere geheel en vooral over Drenthe zelf.
Om enigszins greep te krijgen op de omgeving en op het landschap dat hem omringde, heeft de mens steeds kenmerkende elementen benoemd in dat landschap om daarmee structuur aan te brengen in zijn voorstellingsvermogen. En daarmee kon hij ook met zijn medeburgers communiceren: “..
daar bij die kromme berk, iets voor de zandheuvel…” (zie Van Jeruzalem tot Ezelakker, door Hans Elerie en Theo Spek, het boek over veldnamen in onze directe omgeving). Dit principe is niet alleen geldig voor de kleinere schaal, maar ook voor het grotere geheel. Zeer waarschijnlijk is de naam van Drenthe afgeleid van Thrianta, waarin het woord voor drie zit; Drenthe zou, gezien vanuit het bisdom Utrecht – waar de eigendom van Drenthe en dus de macht zetelde -, het derde gebied zijn, waarbij Twente vanuit die optiek het tweede zou zijn.
Uit het feit dat er een document uit 944 bestaat waarin uitsluitend iets gezegd wordt over het
jachtrecht in Drenthe, blijkt wel hoe in die tijd de economische waarde van dit gebied gezien werd. Voor de machthebbers kennelijk niet om je er erg druk over te maken. En dat heeft zo zijn weerslag gehad op de bestuurlijke structuur in Drenthe. Als er geen overheid is die zich intensief met je bemoeit, ga je je eigen gang.
Omdat er eigenlijk pas vanaf de Late Middeleeuwen geschreven informatie beschikbaar komt over Drenthe en dan ook nog heel sporadisch, kan er heel weinig met zekerheid gezegd worden over hoe de mensen hier precies leefden, hoe ze met elkaar omgingen en hoe het hier geregeld was in de eeuwen daaraan voorafgaande. Maar we kunnen wel proberen ons voor te stellen hoe de mensen, die landbouw bedreven, deze streken langzamerhand in cultuur brachten en allerlei zaken met elkaar regelden. Op zoek naar enigszins vruchtbare grond, in de nabijheid van water en toch droge voeten houdend, streken ze neer op de hoger gelegen streken van Drenthe. Ze brachten kleine percelen in cultuur en maakten afspraken met elkaar over het gebruik van deze én van de niet in cultuur gebrachte “woeste” grond, zoals het steken van plaggen, het weiden van vee e.d. Naarmate er zich meer bewoners vestigden, werden de afspraken formeler, meer gedetailleerd en dwingender en, gegeven de beperkte beschikbaarheid van voedsel voor het vee op de “
grote stille heide” en brand- en gebruikshout in de bossen, moesten afspraken gemaakt worden over hoeveel vee er mocht grazen; wie de rechten daarop had en hoeveel van wat. En over wanneer er wát werd gezaaid, wanneer er geoogst moest worden, wanneer het onbegaanbaar geworden pad naar de bouwlanden weer hersteld moest worden. En wat moest er gebeuren als iemand zich niet aan de afspraken hield. Kortom, langzamerhand vormden zich kleine gemeenschappen van “buren” (afgeleid van oud-Saksisch: gibür = buurman, landman; waarbij ge of gi samen betekent en bür vertrek of huis, maar ook (be)bouwen; buur of boer betekent dus hetzelfde); deze gemeenschappen worden dan ook aangeduid als buurschap/boerschap. De leden van deze gemeenschap hebben dus rechten op het gebruik en het verbruik van het gebied, maar ook plichten.
In principe werden deze rechten/plichten gekoppeld aan de hoeveelheid grond die men in eigendom bebouwde en werd dat recht uitgedrukt in
waardelen; uit de archieven blijkt dat er hele, halve en kwart waardelen waren. De afspraken, die de buren met elkaar maakten worden willekeuren genoemd en hadden, door het op afstand regeren van het bisdom Utrecht, de status van wet- en regelgeving, die ook met elkaar werden gehandhaafd. De buurschappen opereerden dus als autonome, min of meer democratische, gemeenschappen.
De eerste vermelding in de annalen van de
Marke Anloo dateert van het jaar 1314; in een oorkonde staat vermeld dat twee broers, Bolo en Leffardus geheten, de hof (hoeve) van de bisschop van Utrecht hebben gehuurd. Het moet een fors bedrijf zijn geweest, want in deze oorkonde staat dat “de hoeve 5 waardelen heeft”. Pas uit een brief van de markegenoten van Anloo uit 1625, gericht aan de Drost en Gedeputeerden van Drenthe, is te achterhalen dat de marke Anloo op dat moment 15 waardelen kent. Als dat in 1314 ook het geval was, dan vertegenwoordigde de door Bolo en Leffardus gehuurde hoeve dus één derde van de rechten en plichten. De bisschop had dus wel macht hier in Anloo.
Doordat in de loop der eeuwen eigendommen en rechten/plichten in de marke door vererving en door verkoop in andere handen overgingen, ontstond er een ingewikkelde structuur; er waren rechthebbenden, die in Anloo woonden, maar ook rechthebbenden, die elders woonden, de
buitenburen. En er waren er die er wel woonden, maar geen eigen grond hadden en geen rechten hadden op de onverdeelde gronden, de z.g. “coeters” oftewel keuters.
Toen de Republiek der Verenigde Nederlanden ontstond ná de Tachtigjarige Oorlog, maakte Drenthe daar ook deel van uit, maar had geen afgevaardigden in de Staten Generaal en dus geen stemrecht; nog een aanwijzing hoe (on)belangrijk dit gebied was.
Pas in de Franse tijd begon de overheid druk uit te oefenen op de markegenoten om de onverdeelde gronden te verdelen en tot markescheiding over te gaan. Door de invoering van gemeenten in 1811 werd al een deel van de gronden, zoals wegen en waterlopen, overge-dragen aan deze nieuwe instituties. Door wetgeving is herhaaldelijk geprobeerd om die gemeenschappelijkheid op te heffen, maar telkens bleek weer dat je wel regels kunt maken, maar als de betrokkenen er het nut niet van inzien, dan blijven de regels papieren dingen. Ook nu nog bezit de boermarke Anloo onverdeelde grond, zoals bepaalde stukjes van de brinken.

Regels
Al in een vroeg stadium hebben inwoners van deze streken met elkaar afspraken gemaakt over wát van wie was; dit wordt de “gescheiden marke” genoemd. Met betrekking tot het niet ontgonnen gedeelte, de “ongescheiden marke” werden afspraken gemaakt over wat mocht en wanneer dat mocht. Als er b.v. teveel vee zou grazen, teveel plaggen werden gestoken of teveel hout zou worden gekapt, dan bestond immers het gevaar dat het hele gebied zou veranderen in een zandverstuiving.( de gevolgen van ontbossing en overbegrazing leiden op diverse plaatsen in de wereld nog steeds tot ecologische rampen) Het verhaal van Ellert en Brammert, waarin aan het eind een compleet dorp onder het zand wordt geblazen, zou erop kunnen wijzen dat er ruime bekendheid bestond met het verschijnsel zandverstuivingen. De weerstand tegen verdeling van de ongescheiden marke, die diverse overheden probeerden op te leggen, stuiten op weerstand die gebaseerd was op goed begrepen eigenbelang. Door de woeste gronden niet te verdelen kon er één herder worden ingehuurd voor het houden van alle schapen (en het andere vee) van een dorp en hoefde niet iedere boer zijn eigen vee op zijn eigen stukje grond te weiden. De beperkte draagkracht van de woeste gronden beperkte de omvang van de veestapel en daardoor de hoeveelheid geproduceerde mest, die weer een beperkende factor was voor de hoeveelheid grond die in cultuur kon worden gebracht en gehouden.(De bewaard gebleven markerechten zijn opgenomen in de Verslagen en Mededelingen van het Oud-Vaderlands Recht, deel IV)

Structuur
Naast de boeren, die eigen grond hadden, waren er ook die grond van de eigenaren huurden, de meijers, die meestal dezelfde rechten hadden als de grondeigenaren, de eigenerfden. Daarnaast vestigden zich ook mensen in de buurschap, die geen grond bezaten, de z.g. keuters. Voor een deel waren dat landarbeiders, die op de boerderijen werkten, voor een deel handelaren en ambachtslieden, die geen grond bezaten. Daardoor hadden ze ook geen rechten in de marke en waren daardoor ook nauwelijks volwaardige leden van de buurschap en dat leidde regelmatig tot spanningen. Maar ze speelden wel een belangrijke rol in het overleven van een samenleving in de voortdurende strijd om het bestaan.

Samenhang
In een samenleving die voortdurend balanceert op de rand van overleven, bestaat een sterk gevoel van collectiviteit; en omdat de dorpen heel lang uit nauw gerelateerde families beston-den waren de banden hecht. Daarnaast leverde de geïsoleerde ligging nog een extra noodzaak op tot wederzijdse steun en bijstand, waardoor de sociale cohesie erg sterk was. Die onderlinge afhankelijkheid en de noodzaak om elkaar vrijwillig te helpen leidde natuurlijk tot een sociale verplichting om te helpen. Niet alleen voelde je je verplicht maar je was ook verplicht (een soort ongeschreven wet) om je buren te helpen (naoberplicht) Ook werd je geacht het dorp te helpen in voorkomende gevallen (boerwarken). De boerhoorn werd geblazen om de mensen in het dorp op te roepen om gezamenlijk b.v. een onbegaanbaar geworden weg aan te pakken. (In Rolde staat het beeldje van de Boerhoornblazer, gemaakt door E.H. von Dulmen Krumpelmann)
Bij een sterfgeval was het de plicht van de buren om te helpen het lijk af te leggen, om ervoor te zorgen dat er aangifte werd gedaan en dat de klok werd geluid. De groevenneuger zorgde ervoor dat de rest van het dorp en de familie op de hoogte werd gesteld. Daarnaast zorgden de buurvrouwen voor het doodskleed en voor het begrafenismaal na afloop. De duur van de rouw hing af van de verwantschapsgraad en werd getoond door het dragen van een zwarte band om de mouw en vrouwen bedekten het oorijzer met zwarte stof.
Een ander mooi voorbeeld van naoberplicht is het elkaar helpen bij het spinnen van vlas, het “uit spinnen gaan”. Omdat hierbij voornamelijk meisjes, zowel uit het dorp als van buiten, bij elkaar waren, werden hierdoor ook jongens aangetrokken, die meestal arriveerden als het bedtijd was voor de volwassenen, rond 8 uur ‘s’avonds; en van het één kwam het ander en waren de spinavonden vaak aanleiding tot huwelijken. Ook hierbij speelden rituelen en naoberplichten een grote rol.

Sociale rol boermarke
Heel lang heeft het instituut boermarke een grote invloed gehad op de Drentsche, en dus ook de Anlooër samenleving. Omdat bijna alle grond heel lang gezamenlijk bezit was werd het onderhoud van de zandwegen, de bruggen over de loopjes en de diepjes en later zelfs de aanleg en het onderhoud van de straatverlichting een gezamenlijke verplichting. Ook de verwarming van de school werd door de boermarke voor zijn rekening genomen. Toen het aantal leerlingen op de school van Anloo beneden een bepaald minimum dreigde te raken, heeft de boermarke een tweetal huizen te laten bouwen voor de verhuur aan gezinnen, die alleen in aanmerking kwamen als ze minstens 8 kinderen hadden.
Naast al deze uitgaven had de boermarke ook inkomsten uit o.a. de verkoop van hout en stenen en de verhuur van het jachtveld. Nog steeds wordt het jachtveld van Anloo, ongeveer 500 hectare, en nu privé eigendom, door de boermarke verhuurd.

In het archief van de boermarke bevinden zich, naast heel veel andere documenten, de zg. boerboeken, de kasboeken van de penningmeester van de boermarke. Daaruit zullen in de komende afleveringen, ná de zomervakantie, uitvoerig een groot aantal interessante en sappige details worden onthuld.
(tekst: Jan Mulder, Hendrik Lanjouw, Albert Hovius)

*Door Hans Elerie werd erop gewezen dat de verklaring voor de namen van Twente en Drenthe in het vorige artikel (vanuit het bisdom Utrecht gezien het “tweede” en het “derde” gebied weliswaar aardig gevonden was, maar tegenwoordig als achterhaald en onjuist wordt gezien. De huidige aanvaarde verklaring is erop gebaseerd dat de aanduidingen Twente en Drenthe al bestonden ruim voor de kerstening van de Lage Landen en dus voordat er sprake was van een bisdom Utrecht. Twente bestond uit twee delen en Drenthe uit drie.


tekst: Jan Mulder, Hendrik Lanjouw, Albert Hovius