Huisslachting
In de 20ste eeuw, zo ongeveer tot 1960 had bijna iedereen op het platteland wel enkele varkens in het hok. Of het nu boeren, arbeiders of kleine middenstanders waren, het maakte niet uit. De varkens werden gemest tot ze op het juiste gewicht waren en dan verkocht. Op één na “het mestvarken”. In het najaar, zo tegen november (slachtmaand ), moest het dan gebeuren. Waarom in die tijd? Wel de temperatuur moest dusdanig zijn dat er in de huizen goed gestookt werd. Het moest er goed droog zijn zodat spek, hammen en worsten regelmatig konden drogen (in de "wiemel" ).
Een dag voor het varken geslacht werd, werd er al begonnen met de voorbereidingen. Als eerste werd de grote ijzeren kookpot schoongemaakt. Deze stond in het stookhok, hierin werd ook de was gedaan en werden de voeraardappelen voor de varkens gekookt. Een goede schoon-maakbeurt, met soda, was dus wel op zijn plaats. Daarna werd de kookpot gevuld met water, een hoop takkenbossen in de nabijheid en alles stond gereed.
De volgende morgen moest al vroeg het vuur worden aangemaakt tenminste als je als eerste aan de beurt was bij de slachter. Deze was vaak geen slager van beroep maar iemand die, naast zijn dagelijkse werk, in de winter dit werk erbij deed. Voordat de man aanwezig was, moest ook de slachtbank gereed staan. Er waren mensen die een echte slachtbank hadden maar vaak bestond deze uit een paar strobalen met daarop een uit zijn spondingen gehaalde schuurdeur of een ladder.
Als de slachtbank gereed was en het water aan de kook, moest het varken uit het hok gehaald worden. Het was alsof het beest besefte wat er stond te gebeuren, het spartelde vaak behoor-lijk tegen en gilde enorm. Wanneer het dier dan éénmaal op de slachtbank lag, werd het direct met een scherp mes in de hals gestoken terwijl iemand anders het bloed opving, al roerende, in een grote schone emmer( het beest bloedde dus dood ). Omstreeks 1950 moesten de varkens eerst geschoten worden voor ze gestoken werden.
Na dit gebeuren werd er eerst een borrel gedronken door alle aanwezige mannen. Vervolgens werd het dier van zijn borstels (haren) ontdaan, dit gebeurde met speciale krabbers en kokend water. Ook zijn tenen werden verwijderd. Eenmaal schoon werd het varken, met de achterpoten aan een kromstok, opgehangen aan een ladder en tegen een muur geplaatst waarna het opengesneden werd en van het inwendige (intast) ontdaan. De darmen werden meegenomen door de slachter, die ze schoonmaakte om ze weer voor de worsten te gebruiken. Nog eerder gebeurde dit ook wel door een vrouw uit het dorp, deze kwam dan bij de mensen thuis (een schierschoonster).
In de kookpot, inmiddels weer schoongemaakt en voorzien van water, gingen nu de organen zoals: hart, lever en tong als mede ook nog uitgesneden botten waaraan nog vlees en vetdelen zaten. Nadat dit een paar uur gekookt had, was het klaar en kon men er de volgende dag leverworsten van maken. De blaas, éénmaal schoongemaakt en opgepompt, werd door de kinderen gebruikt als voetbal. Ook werd de blaas wel gedroogd en gebruikt voor het smeren van gereedschap. Kortom er werd heel weinig weggegooid, bijna alles werd wel ergens voor gebruikt. Vervolgens kwam er een schoon wit laken over het varken te hangen en werd het voor die dag met rust gelaten. Nog een borrel en de slachter vertrok. Oppassen dat de poezen niet in de buurt kwamen.
Ondertussen werd het bloed aangemengd met roggemeel, zout en kruiden en in sterke linnen zakken, van ongeveer 30cm. lang, geschept. Hierin kwamen lange repen spek (bij de ene familie wel bij de andere niet), afgesneden van de buik van het varken. Dichtgeknoopt gingen deze zakken in de kookpot waarin het vlees van de leverworsten eerder gekookt was. Ook de bloedworsten moesten 2 tot 3 uur koken. ’s Avonds kwamen de naaste buren dan nog op bezoek, op “slachtvisite”, om het varken te beoordelen. Of het vet genoeg en groot genoeg was enz.!!
De volgende morgen kwam de slachter terug om het varken "af te houwen"; het beest in porties verdelen, in stukken hakken of snijden. Eerst werd het vlees van het spek gesneden. Het vet, reuzel waarin de nieren zich bevinden en plukvet gingen apart. De zijden spek werden flink gezouten en gingen in een grote houten tobbe daarna volgden de hammen, inmiddels ontdaan van de poten. Verder werd alles in kleinere stukken gemaakt en in zout in potten gedaan. Het fijne vlees en stukjes spek gingen door de gehaktmolen en in de, door de slachter meegebrachte, schone darmen voorzien van zout en kruiden. Het gekookte vlees van de vorige dag werd leverworst(en). Het vlees van de kop werd gekookt en dit werd de hoofdkaas. Als het vet werd gesmolten, waren de eerste kanen voor op een snee roggebrood en de rest kwam in potten "kaonensmeer".
De volgende dagen was men druk met het bakken, braden en wecken. De metworsten kwamen direct aan de zolder te hangen, het spek en de hammen e.d. na 14 dagen, als het zout goed was ingetrokken. De dag nadat de worsten klaar waren, werden er pakketjes gemaakt; een metworst, een leverworst en een paar stukjes vlees, de zg. "soepies". Deze waren voor de buren en evt. voor familie.
Dit was dan het voorlopige einde van het varken. Metworsten, leverworsten, bloedworsten, vet in kleine Keulse potten, braad- en soepvlees in weckflessen en de rest in de wiemel.
Al naar behoefte en de grootte van het gezin herhaalde dit zich nog een keer eind februari of begin maart.
Tekst Roelfien Meursing


















