DE DORSMACHINE KOMT
dorsmachinefoto
de dorsmachine van de Volharding

Als kinderen verheugden wij ons er al tijden van te voren op dat de dorsmachine kwam. Je kon dan spelen tussen de opgestapelde strobalen, in de kafbult springen en muizen vangen. Helaas werd je meestal door v.d.Kamp, de machinist, weggestuurd. Voor kinderen waren al die draaiende riemen natuurlijk ook best gevaarlijk.Zelfs voor volwassenen. Zo kreeg Hendrik Greving, de graanhandelaar, eens een aandrijfriem in zijn gezicht. Hieraan hield hij een flink litteken over op zijn wang. De dorsmachine was eigendom van de coöperatieve dorsvereniging "De Volharding". Deze vereniging was opgericht door de gezamenlijke boeren van Anloo, Gasteren en Schipborg. Het dorsen ging in een bepaalde volgorde en tussen de dorpen werd er jaarlijks gerouleerd. Eerst waren de "zomerbulten"aan de beurt. Deze bulten stonden op een aparte zetstee. Het betrof zaairogge. Daar de winterrogge al in oktober gezaaid moest worden werd met het dorsen al in september begonnen. Vervolgens waren de "winterbulten" aan de beurt. Dit betrof rogge en haver van boeren die in de boerderij geen ruimte hadden om de korenschoven op te slaan. Daarna werd het koren gedorst in de boerderijen en schuren. In Anloo begon men jaarlijks bij toerbeurt eerst bij Willem Jipping of bij Albert Okken.

Omdat het in het verleden nogal eens voorkwam dat door brand alle korenbulten in vlammen opgingen, waren er voorschriften m.b.t. de afstand tussen de korenbulten en de afstand van de zetstee tot bos, gebouwen en wegen. Meestal was er een zetstee op het land van Jipping, achter de zuivelfabriek, aan de Schipborgerweg en aan de zandweg naar Eext. De plaatsing van de dorsmachine was een heel werk. Eerst werd de dorskast op zijn plaats gezet, vervolgens kwam de pers hierachter, zodat het stro vanuit de achterzijde van de dorskast in de opvangbak van de pers viel. Dan werden alle wielen vastgezet op houten blokken. De kafpijpen werden aangebracht en dan kon de trekker er voor. De aandrijfriem werd aangebracht en strakgetrokken. Vervolgens werd de machine in werking gezet en kon het personeel aan het werk. Op de bult stonden twee mensen (de schoters) die zorgden ervoor dat de bossen op de dorskast kwamen. De bandensnijder sneed de banden door (bij rogge twee banden en bij haver een) vervolgens zorgde inspinner er voor dat de halmen gelijkmatig in de machine kwamen. Later verviel dit werk doordat er een bandensnijder met elevator op de machine werd geplaatst.


dorsen exlooAan de voorzijde van de dorskast werd het graan opgevangen in zakken en gewogen door de z.g. korenmeter. Een mud haver woog 50 kg en een mud rogge 70 kg. Er ging niets verloren want ook was er een opvang voor licht graan en voor de onkruidzaden....De twee laatste soorten werden door de boeren zelf opgevoerd aan het vee. De
onkruidzaden werden door het varkensvoer gemend. De zakken werden vervolgens op een zakkenheffer geplaatst zodat ze gemakkelijk door de boer op de rug konden worden genomen. Fok Winter was toen korenmeter en je mocht bij hem als kinderen ook wel eens plaatsnemen op de hefinrichting. Dat gaf natuurlijk plezier. Op de stropers zat een z.g. paardekop die het stro in de perswagen duwde. Aan de stropers werkten drie mensen. De naaldinvoerder zorgde ervoor dat de pakken op de juiste lengte werden gemaakt door de naald (een U-vormig stuk ijzer met uitsparingen aan de zijde waar het draad kon worden doorgevoerd) tussen de pakken te steken. Dit was een secuur werkje, daar de naald moest worden ingebracht op het moment dat de perswagen in zijn achterste stand stond. Voor beginnelingen leverde dit nogal eens een kromme naald op. Zowel de naaldinvoerder als de pakken dragers zorgden voor het vastbinden van het draad (pakdraad) en het afknippen. De pakkendrager nam de pakken , zodra deze uit de pers kwamen,op de rug en zette deze op een hoop. Om te voorkomen dat er stukjes stro bij hun kleding inviel hadden zij een zak in een punt gevormd op het hoofd en overhun rug.

Na het dorsen werd het graan op de deel in zakken opgeslagen en werd een gedeelte, wat niet als veevoer nodig was, verkocht aan een graanhandelaar (Kloek,Greving of de zuivelfabriek en korenmalerij). Het roggestro werd deels verkocht aan de strokartonfabriek en het overige gebruikt als strooisel in de stallen Het haverstro werd aan het vee gevoerd. Het voor eigen gebruik bestemde graan (rogge en haver) werd gemengd en op de maalderij gemalen. Het meel werd opgevoerd aan het vee. Ook een deel van het haverkaf had een bestemming. Het werd gebruikt als vulling van het matras. Elk jaar na het dorsen kwam er nieuwe in. Zoals ik mij herinner sliep ik hier altijd heel lekker op. Het leukste voor ons als kinderen was, als de dorsmachine bij ons thuiskwam. Vooral als de laatste lagen schoven aan de beurt waren werd het spannend, daar dan de muizen en ratten er uit kwamen. Voor ratten waren we wel wat bang. De schoter Harm Veenstra was er niet bang voor. Hij greep ze zo met zijn hand. Zo kwam er bij ons ook eens een bunzing tevoorschijn. Deze werd door Harm met de vork bewerkt zodat er geen beweging meer in zat. Vlug ging hij er mee naar de maalderij waar Fok Hamminga werkte. Deze ving in de wintertijd, wezels, bunzings en hermelijnen. Hij vilde ze daarna en droogde de vellen bij de kachel, waarna ze werden verkocht. Fok had wel belang bij de bunzing. De bunzing werd even op de vloer neergelegd en er werd nog even een praatje gemaakt. Opeens was de bunzing verdwenen. Hij had blijkbaar even het bewustzijn verloren en was weer bijgekomen. Het heeft een hele tijd geduurd voordat hij opnieuw was gevangen.

verteld door Albert Okken - Historische Werkgroep Anloo